Gedichten



1 IN JOUW WINTER.

Hoelang duurt hij nog
Jouw winter
Je hebt teveel laagjes aan
Ik kom er niet doorheen


Wat ben je somber
Terwijl de zon toch schijnt
Al geeft ze geen warmte
Net als jij


Jouw winter
Die maar niet voorbij wil gaan
Hoelang moet ik die doorstaan
Wanneer neig je naar de lente

Na jouw winter wordt alles weer licht.



2 MEMORIES.

Ik ga een plantje in een bak zetten
Dat ik naar jou zal noemen
Ik ga het vertroetelen
Voldoende water geven
Het zal in de zon staan
En niets te kort komen

Groenblijvend moet het zijn
Met knopjes en veel bloemen
Met bloemblaadjes die waaien in de wind
Die wegwaaien in de wind
Maar dat geeft niet
Niets verdwijnt voor altijd.



3 KNAP SAAI.

Je bent wat grijzer geworden
Nog grijzer dan je al was
Ik heb het niet over je haren
Maar verder zie je er nog hetzelfde uit
Knap saai

Je vrouw is nog even mooi
Als vroeger, als altijd
Sprankelend, intelligent
Ze is nog steeds bij jou
Knap saai, voor haar

Welwel drie kinderen
Zo zie je maar!
Goed voor elkaar hoor
Leuk jullie nog eens te zien
Tot saais misschien.



4 PETJE.

Je was je tijd ver vooruit
Met je petje
Je kon in ieder geval nog zeggen
Ik ben die met het petje
Nu zie ik ze overal
Petjes, petjes, petjes
Pet petjes

Nu draag je een capuchon
Terwijl het toch niet regent
Dat is mode zeg je
Je hebt niets in je hoofd
Maar altijd iets er op
Capuchon, crapuchon
Crapuul Sjon.



5 GEDICHT PORTRET.

Zoals je daar zit in de wachtkamer
Met je benen over elkaar
De punt van je laarzen vooruit
Perfecte laarzen voor aan jouw voeten

Benen omhuld door een maillot
Die niet eindigen bij je rokje
Maillot en rokje op elkaar afgestemd
Perfecte benen voor aan jouw lijf

Je borst met borsten in een trui
Waaruit lange armen steken
Subtiel versierde trui
Perfecte borsten voor aan jouw lichaam

Het hoofd fier opgeheven
Heldere ogen, mooie mond met neus
Lange donkere haren, verscholen oren
Perfect meisje voor mijn gedicht.



6 CHEMO

Nee, je hoort er niet bij
Dat straal je ook uit
Je komt alleen maar mee
Je hoort hier niet
Nog lang niet
Hoop je, denk je?



7 GEDICHT

Begrijpt u niets van een gedicht
Denk dan niet dat het aan u ligt
Gooi de bundel aan de kant
Of beter nog, in de prullenmand.



8 FRANCOISE HARDY

Als je zingt vormen zich kuiltjes in je wangen
Geen echte, geen diepe, vage
Bijna onzichtbare schaduwen
Net onder je hoge jukbeenderen
Geaccentueerd door je lange haren
Fascinerend om naar te kijken
Ze leiden af van je mooie mond
Waarin die heldere stem verstopt zit
Helder en zwoel tegelijk
Je neusgaatjes zijn twee donkere puntjes
Perfect rond, onlosmakelijk behorend bij jou
Ogen die in peilloze verten staren
Je kaarsrechte lange benen
Lijken nergens bij elkaar te komen.



9 VERVUILD STRAATBEELD.

Steeds meer vervuilt het straatbeeld
Oude wijven met een kinderwagen
Moe en afgetobd

Ze voeden kleinkinderen op
Dwangarbeidsters die levenslang hebben
Dat is kindermishandeling

Kon ik nog maar wegdromen
Bij jonge moeders achter een kinderwagen
Er resten slechts nachtmerries

Ik kan het niet laten
Steeds maar weer roep ik
Een nakomertje, mevrouw?



10 TREINSTATION

Tussen vertrek en aankomst
Liggen stations
Waar je niet hoeft te zijn
Waar je nooit hoeft te zijn
Stations in een kleine stad
Ze lijken op elkaar
Maar toch zijn ze allemaal anders
Slaperige stadjes
Zou ik hier kunnen wonen?
Een meisje fietst voorbij
Een jongen wacht op zijn vriendin
Die net is uitgestapt
De stationstraat in de zon
De vrouw van de bakker
Laat het rolluik neer En alles gaat maar door
Ook de trein.



11 TGV

Op het dorpsperron
Wachten op onze boemeltrein
Vanuit het niets
Raast een TGV voorbij
We worden bijna weggedrukt
Of bijna meegezogen
Je hoort 'm niet aankomen
Je hoort dat hij er geweest is
Is dat wel zo?
En waarom hier? Uitgerekend hier
Waar je hem nooit verwacht
En die wind
Was die er al voor de TGV?



12 GIANNA NANNINI

Je ziet er uit als een bakkersknecht
Na een dag hard werken
Of beter nog, als een kok
Met een vettig gezicht
Op het einde van de avond
Toch blijf je naar die kop kijken

Bezwete haarslierten op je voorhoofd
Kleren die niet te beschrijven zijn
Spring in het veld, brok energie
Zeer geprononceerde neus
Heeft iemand ooit je benen gezien?
Je blijft alleen naar die kop kijken

Opeens had je dat ministaartje
Aandoenlijk
Je hebt iets, je hebt veel
Je straalt, je knalt, je bent
Je lichaam bestaat niet
Alleen die stem, alleen die kop



13 NIETS BLIJFT.

Ik denk nog wel eens aan je
Met je engelenkrullen
En je lachje
Dat zo veel kon betekenen

We stonden naast elkaar
En toch zo ver af
Verbonden door een ander
We wisten beiden, het kan niet

Toen niet en later bestond niet
Je verdween uit mijn leven
Jouw wereld lag letterlijk open
Die van mij werd steeds kleiner

Velen lagen aan je voeten
En jij genoot daar van
Zo lang het duurde
Wie en wat is er gebleven?



14 SPAANSE DUIVEN.

Het stoffige parkje bij de kerk
Ademt rust en stilte uit
Duiven zijn druk in de weer
Hun leven hangt er van af

Duiven lijken net mensen
Sommige zijn kwiek en snel
Soms zijn ze gehandicapt
Of oud en ziek

Tot de kinderen komen
Ze rennen achter de duiven aan
Proberen de duiven te schoppen
Dat lukt soms, vaak ook niet

Hun ouders zitten op de bankjes
Ze vinden dit blijkbaar normaal
Ik zou wel willen schreeuwen
Grijp in, grijp in, of moet ik het doen?

Duiven lijken niets op mensen
Mensen zijn dmmer en slechter.



15 ODE AAN DE MIDDELLANDSE ZEE.

Ik wil hier niet zijn
Ben geboren op de verkeerde plaats
Ik verlang al mijn hele leven naar je
Mijn Middellandse zee

Ik ben hier een vreemdeling
Heb niets met het landschap
Pas niet tussen de mensen
Oh, mijn Middellandse zee

Ik verlang naar je warmte
En verlang naar je licht
De geur van je land en je water
Mijn geliefde Middellandse zee

Altijd staat er iets tussen ons
Zo blijft het tijdloze verlangen
Kon ik nu maar bij je zijn
Mijn zee, mijn Middellandse zee.




16 ONTMOETING.

De trein kwam tot stilstand
Zou hij haar herkennen?
Zou zij hem herkennen?
Op dit volle perron

Ze omhelsden elkaar
Net iets te lang
Voor mensen van hun leeftijd
Het kon ze niets schelen

Koffie in de stationsrestauratie
Hand in hand aan een tafeltje
Te klef voor hun leeftijd
Ver van andere mensen

Hoe moest het nu verder?
Ze wisten het geen van beiden
Te onvolwassen voor hun leeftijd
Kon dit maar eeuwig duren.



17 ZESTIG.

Diep in ons zit het nog Onzichtbaar, verborgen
Onder kale koppen
Achter dikke buiken
Onder grijze haren
Zestig, de zestigerjaren
De hoop, het geloof dat alles
Anders werd en beter
Het is anders geworden
Is het beter geworden?
Stiekem zijn we blijven hangen
We praten er niet over
Maar we zijn er nog
Zij noemen ons sentimenteel
Wij noemen het jeugdsentiment.



18 HEERLEN.

Ik had nooit gedacht
Dat ik van je zou gaan houden
Je bent als een meisje
Dat je over het hoofd zag
Niet opmerkte
Haar schoonheid niet zag
Je bent zo eenvoudig
Zo bescheiden
Maar je groeit en bloeit
Er wordt aan je gewerkt
En jij werkt maar wat graag mee
Heerlen ik hou van je.



19 HOOP.

Een man blijft altijd hopen
Op dat ne meisje
Dat iets in hm ziet
Tevergeefs, natuurlijk
Dat gebeurt nooit
Of toch?

Zou dat haar zijn?
Zij is het helemaal
Hooghartig schenkt zij hem
Een vernietigende blik
En loopt voorbij
Zoals zijn leven voorbij gaat.



20 VOOR ALTIJD.

Lange lokken langs je hoofd
Verborgen je oren, waarin ik fluisterde
Oren waar mee jij luisterde
Naar mijn stem, die jou beloofde
Van jou te houden
Voor altijd, voor altijd
Jij deed als of je het geloofde
Voor altijd duurde maar even.
Te kort, zoals het leven.



21 WAGON.

Hij spoorde door vele landen
Met passagiers die genoten
Van hun reis, van het landschap
Dat voor hem telkens terugkeerde

Hij zou veel kunnen vertellen
Over passagiers die verliefd waren
Naast elkaar zaten, ruzie maakten
Zwijgen is vaak verstandiger

Nu staat hij hier, afgedankt en verlaten
Oud en vergeten, zoals zijn passagiers vergeten zijn
Maar wie de moeite neemt
Kan hun oude glorie nog zien stralen.



22 SCHOONHEID.

Hoe kan ik je schoonheid beschrijven
Schoonheid vangen in een gedicht
Ik kan alleen al uren kijken
Naar de plooitjes in je gezicht
Naar je verborgen benen in spijkerbroek
Naar je huid zo zacht als baby
Naar het lachje om je mond
Naar je blonde staartje dat omhoog wijst
Naar je bril die rust op oortjes
Alsof je er mee geboren bent
Mijn woorden voor jou schieten te kort
Alle woorden zullen je te kort doen
Ogen zien meer dan woorden kunnen zeggen
Mijn ogen zien alleen maar jou.



23 DE DICHTER.

Denkt u, wat een wartaal!
Dan is het een gedicht wellicht
Dichters blaadje verschijnt per kwartaal
Hij zingt daarin zijn lied
Maar u begrijpt hem niet
De dichter dicht en dicht en dicht
Hij gaat steeds maar door
En niemand roept, more, more, more!




24 LIMOUSIN.

Bruine Limousin koeien staren in de camera
Kijken nieuwsgierig
Kijken gekweld
Kijken onverschillig
Kijken verveeld
Maar altijd zacht, met grote koeienogen
Vreedzaam zonder een spoortje agressiviteit
Al lijken ze te vragen
Waar zijn die stieren toch?
Wat doen jullie met ons?
Wij staan hier mooi te wezen
En geven, geven, geven
Maar krijgen niets terug.



25 COCON.

Wandel met mij mee in de mist
Hoop dat het motregent
Kom terug in de baarmoeder
Alleen, ook al zijn we samen
Zo moet het altijd zijn
Laten we de mist houden
Blijven lopen in de regen
Niet te ver willen zien
Want daar wacht niets
Niet achterom kijken
Dat hebben we verlaten
Om opnieuw geboren te worden
Laat alles anders zijn
Al weten we beiden dat
De mist en regen verdwijnen
En alles terug zal komen
Wat we niet achter kunnen laten.



26 GEEN LACH, GEEN TRAAN.

Hoe kan je nu zo mooi zijn
En toch zo ontevreden kijken
Alsof je het zo zwaar hebt
Zo ongelukkig naar het schijnt

Je lacht alleen in groep
Omdat dat dn blijkbaar moet
Ontspan dat strakke koppie, moppie
Zolang het kan, voor iedere man.



27 DRUPPEL.

Eeuwig klotst het water
Op de rotsen
Die onzichtbaar veranderen
In tegenstelling tot de mens
De rotsen zullen er altijd zijn
Zoals ze er waren voor hen
Die ons voorgingen
Denk niet dat je iets bent
Dat je meer bent dan een druppel
Die op een rots slaat
Die even in de zon mag zitten
En verdampt in het niets.



28 VRIJ.

Maak je vrij
Vrij van materie
Vrij van afgunst
Vrij van leegte

Maak je vrij
Voor mens en dier
Voor diepe gedachten
Voor liefde.



29 HERINNERING.

Francoise Hardy zingt, Voil
En ik ben terug
Waar ik ooit vandaan kwam
Eigenlijk nooit weg wilde
De tijd stopt niet, nooit
Terugdraaien kan alleen de klok
Wat blijft is herinnering
Gekleurde herinnering
Geselecteerde herinnering
Warme herinnering.



30 DOOD EN LEVEN.

De dag waarop de jonge motorrijder
Gecremeerd zou worden
Kwam de bakker als altijd langs
Een man bezorgde een pakje
Drie huizen verder

Bloemstukken op het gazon voor het huis
Kraaien liepen af en aan
Ook een buurvrouw
Een jongen die een bal stuitte
Passeerde.



31 STORING.

Onbereikbaar en vervreemd ben je
Mijn woorden neem je niet op
Jij bent op zoek naar mij
Maar kijkt over mij heen
Ik sta verstard naast je
En kan je niet aanraken.



32 MIDDAGPAUZE.

Onwennig loopt hij naast haar
Aan haar hand een plastic zak

Soms loopt zij achter hem
Hij houdt dan in
Loopt liever achter haar

De mensen in de stad
Denken dat ze bij elkaar horen.



33 MOTREGEN.

Onophoudelijke motregen
Het is niet koud
Dit is zijn dag

Geen wind, geen regen
Motregen
Dit is zijn weer

Mist steekt op
Mist en motregen
Toppunt van genot

Omgeven en ondergedompeld.



34 ZIEK.

Bewegingsloos ligt hij in haar armen
Met betraande neergeslagen ogen
Met vuurrode wangen
Waar ben je? Jonge God van vanmorgen
Verdrijf het kwade sap uit je lichaam
Ga slapen en maak je luier vol.
Maak jezelf en mij beter.



35 ONBEWAAKTE SPOORWEGOVERGANG.

Links en rechts geen trein te zien
Slechts trillende lucht boven de rails

Doorrijden
Op hoop van zegen
In mijn oren, het geluid van
Een aanstormende trein

Mijn oren vertrouwen mijn ogen niet
Ik kan verblind zijn, of even afwezig.



36 HONGER.

Van de tientallen uitgehongerde eenden
Die luid snakkend onze weg volgden
Waren er nog maar zes over
We hadden toen niets bij ons

Grauwe luchten joegen rond het kasteel
Dat nog net geen rune was
In een boom zat een aapje
Zeker achtergelaten door iemand
Zoals dat ook met honden gaat

Een man kwam uit een door ons onopgemerkt huis
Hij nam het aapje mee
Zeker uitgelaten, als een hond
De zes eenden haalden hun snavel op
Voor ons oude brood.
Iemand moet ze nu dus voeren.



37 EENDJES VOEREN.

Wandelen door de vallei
Magere zon verdrijft het vocht
Een zak met hard witbrood
Voor de overvoede eenden

De eenden laten het brood weken
Te grote brokken blijven onaangeroerd
Aan de horizon een file
Voetbalsupporters van Roda op weg naar huis.



38 OUDERANGST.

Ben je geboren
Om voor je twintig bent
Overreden te worden
Door een automobilist
Die haast had

Ben je geboren
Om na twintig jaar te sterven
Door soldaten
Geofferd aan een waanzinnig idee
Zomaar, zinloos

Ben je geboren
Om vergiftigd te worden
Dor de welvaart van ons
Die het wel wisten
Maar niets konden doen.



39 WERK.

Om zes uur opstaan
De bus van half zeven nauwelijks halen
Onmiddellijk in slaap vallen
Ontwaken voor de poort

Stempelen
Glibberige klinkerwegen naar het werkpunt
Overal groene aanslag
Een rat rent van koeltoren naar vuilcontainer

Iedere dag dezelfde mensen
Gevangenen van het bedrijf
Door prikkeldraad van de wereld gescheiden
Pozie is ver te zoeken

In een lange loods zonder ramen
Ligt de kunstmest opgeslagen
Sciencefiction is dichtbij.



40 FABRIEK.

Een gat in je broek
Van een lekkende zuurleiding
Nooit naar de grauwe lucht kijken!

Een dof beangstigend gebonk
In het hart van de onmenselijke machine
Duimdikke moeren
Houden het keteldeksel op zijn plaats

De geur van ammoniak is herkenbaar
Maar al de andere dampen?
Adem inhouden en weglopen
Om nooit meer terug te komen.



41 LIEFDE.

Met een tas op de bagagedrager
Gaat hij naar de stad
Hij zal zijn zoon verschonen

Hij schuift de gordijnen open
De post ligt ongeopend op tafel
Zijn zoon verbergt zijn ogen

Hij brengt brood voor hem mee
Het brood van vorige week
Nog onaangeroerd en vol schimmel.



42 MEISJE.

Fluitend in de koude nacht
Loopt zij naar het huis
Zij voert soms een gesprek
Met de stenen en het asfalt

Zij voelt onze kilte niet
Haar gedachten sluiten ons buiten
Zij springt en huppelt van vreugde
En voert haar verdriet ver door

Ze komt bij het huis
Het huis dat wij voor haar bouwden
Ze wordt er bewaakt door steriele kabouters
Die op haar neer kijken.



43 LENTE.

Het gras is dit jaar beginnen te groeien
In de week van elf tot achttien maart
Jonge groene halmen
Schitteren in de zon
Die in de dauw weerspiegeld wordt.



44 ZOMER.

Onder de zinderende zon
Scheren vogels over het rijpe koren
Korte nachten
Baren de insecten
Die verdwijnen als het licht wordt.



45 HERFST.

Nevel over het land
Spinrag op het gezicht
Bomen tonen nu hun pracht
Mensen huiveren
Staande op de grens van dag en nacht.



46 WINTER.

De natuur kruipt als de mens
Dieper in zijn hol
Beschenen door de laagstaande zon
Bedekken kristallen het omgeploegde land
De kougrens is verlegd.



47 WANDELING.

Rondom de kerk ligt het kerkhof
Een pad van glanzende keien voert er naar toe
Spaarzaam licht uit oude straatlantaarns
Straalt op sterke huizen aan de markt
Het is mistig en het motregent.



48 LOPEN.

Hij loopt!
Hij heeft twee velletjes papier
In zijn handen
n velletje valt
Hij raapt het op
Draait het om
Neemt het bij de punt
Hij proeft er aan
Het valt weer
Nu valt ook het andere vel
Hij probeert ze op te rapen
Maar valt nu zelf op zijn kont
Hij krabbelt weer overeind
Legt beide velletjes op tafel
En loopt, en loopt, en loopt.



49 ZES.

Als ik aan je denk ben ik gelukkig
Ben ik rijk.
Heb ik het gevoel niets meer te willen
Het beste te bezitten

Als jij echt bij me bent
Je even uit je leventje vrijmaakt
Zeg je alles
Zonder woorden te gebruiken

Ik moet schrijven
In de hoop dat je me zult lezen
Voor als je aan mijn liefde twijfelt
Die tijd zal zeker komen.



50 MIJN ZOON.

Ik begrijp niet hoe je zo volmaakt kunt zijn
Jij die uit mij geboren bent
Je bent een mooie droom
Die al zes jaar duurt
Ik wil niet wakker worden

Met een schok ontwaken
Je kwijt raken
Zou het weinige dat ik ben vernietigen
Dan maar liever blijven sluimeren
Tot dat ik merk dat aan iedere droom
Een einde moet komen.



51 MENSEN.

Mensen in je omgeving
Onbegrijpelijke dingen die leven

Opeens ontdek je iemand
Je hebt hem over het hoofd gezien
Je kunt met hem praten

Het contact is tot stand gebracht
Als het aansluiten op het telefoonnet
Een net met weinig nummers.



52 PAAR.

De leegte van de volle wanden
Het vuil van schoonmaakmiddelen
De stilte van de verveling
Geur van opgewarmde prakjes

Alleen zijn zonder het te merken
Samen een legpuzzel
Waarvan stukjes ontbreken
Legoblokken die niet in elkaar passen.



53 NET NIET.

Net niet de eindstreep halen
Net niet geboren worden
Het droomhuis net niet kunnen kopen
Hoe kwetsbaar zijn mensen

Maar gelouterd door verliezen
Berustend in de eigen grenzen
Gelukkig wordend met elkaar
Is houden van het leven.



54 TEKENS.

Laat mijn woorden bevredigen
En plaats er andere woorden
Tegenover

Laat mijn gedachten lezen
En geef er andere gedachten
Voor terug

Laat mijn lichaam spreken
En geef antwoord
Op mijn vragen.